ECLI:NL:CRVB:2018:363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beleid UWV inzake terugkomen van onherroepelijke boetebesluiten in sociale zekerheidsrecht
Appellante ontving vanaf november 2011 een WW-uitkering. Na melding van een vroegpensioenuitkering heeft het UWV haar WW-uitkering herzien en een boete opgelegd wegens het overtreden van de inlichtingenplicht. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, en stelde later een verzoek tot herziening van het boetebesluit op grond van een latere uitspraak van de Raad van 24 november 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de uitspraak van de Raad geen nieuw feit vormde dat herziening rechtvaardigde. Het UWV voerde een beleid waarbij onherroepelijke boetebesluiten niet worden herzien zonder nieuwe feiten of omstandigheden, gebaseerd op een brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In hoger beroep stelde appellante dat de uitspraak van de Raad en de ministeriële brief wel als nieuwe feiten of omstandigheden moesten worden beschouwd en dat het beleid van het UWV haar beleidsvrijheid onterecht beperkte. De Raad oordeelde dat rechterlijke uitspraken en ministeriële brieven geen nieuwe feiten zijn en bevestigde dat het verzoek om terug te komen op het besluit terecht werd afgewezen.
Echter, de Raad stelde vast dat het categorisch uitsluiten van herziening door het UWV geen redelijk gebruik van bevoegdheid is en dat het beleid ondeugdelijk gemotiveerd is. Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit binnen drie maanden te herstellen, waarmee het besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Awb.
Uitkomst: Het beleid van het UWV om categorisch niet terug te komen op onherroepelijke boetebesluiten zonder nieuwe feiten of omstandigheden is onaanvaardbaar en het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen.