ECLI:NL:CRVB:2018:3656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen wegens niet aannemelijk gemaakte woonplaats
Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij woonachtig was in de gemeente Utrecht en omdat hij geen zelfstandige was in de zin van het Bbz 2004.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het college geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar zijn woonplaats en dat hij wel in Utrecht woonde, ondanks het ontbreken van een woning. Tevens voerde hij aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het aan hem was om zijn woonplaats aannemelijk te maken.
De Raad oordeelt dat het recht op bijstand afhankelijk is van de woonplaats in de gemeente en dat appellant onvoldoende controleerbare gegevens heeft verstrekt om zijn woonplaats in Utrecht aannemelijk te maken. Het college heeft het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd en de stellingen van appellant niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het OESO Modelverdrag faalt eveneens. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.