Uitspraak
14.3090 WIA, 16/1287 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
14/3090 WIA: € 42,- in beroep en € 122,- in hoger
16/1287 WIA: € 45,- in beroep en € 124,- in hoger beroep) vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 17 maart 2008 arbeidsongeschikt is, kreeg aanvankelijk geen recht op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%. Na herbeoordeling werd vastgesteld dat zij vanaf 2 januari 2012 recht heeft op een WGA-uitkering en vanaf 1 november 2013 volledig arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, waarbij werd aangenomen dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanwege ME/CVS en POTS volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is in de zin van de Wet WIA. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen onvoldoende concrete en deugdelijke motivering boden voor de verwachting van verbetering op lange termijn. De rapporten van deskundige Erwteman en verzekeringsartsen richtten zich vooral op ME/CVS en hielden onvoldoende rekening met de complexiteit van het ziektebeeld, waaronder POTS.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en de bestreden besluiten, herroept de besluiten van 2012 en 2014 en bepaalt dat appellante per 2 januari 2012 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en een beperkte schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de Staat een grotere schadevergoeding moet betalen. De proceskosten werden deels toegewezen aan appellante.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een concrete en individuele beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid, waarbij de complexiteit van het ziektebeeld en de reële herstelkansen centraal staan.
Uitkomst: Appellante heeft recht op een IVA-uitkering vanaf 2 januari 2012 wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.