ECLI:NL:CRVB:2018:3753

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2018
Publicatiedatum
27 november 2018
Zaaknummer
15/6619 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Vo 883/2004Verordening (EG) nr. 883/2004
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering grensarbeider met zelfstandige werkzaamheden in Duitsland

Appellant, woonachtig in Nederland, was als grensarbeider in Duitsland werkzaam en bleef na beëindiging van zijn dienstverband voor gemiddeld dertien uur per week als zelfstandige in Duitsland actief. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat hij niet volledig werkloos was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij niet aan de definitie van volledig werkloze grensarbeider voldeed op grond van Europese regelgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig werkloos was en dat het Duitse arbeidsbureau hem ook geen werkloosheidsuitkering had toegekend, verwijzend naar Besluit U3. Het UWV stelde daartegen dat appellant inmiddels wel Arbeitslosengeld ontving van de Duitse autoriteiten. De Raad volgde het standpunt van het UWV en bevestigde de eerdere uitspraak.

De Raad overwoog dat het voortzetten van zelfstandige werkzaamheden in Duitsland betekent dat appellant niet volledig werkloos is in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004. De formele benadering van Besluit U3 ondersteunt dit oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering omdat appellant niet volledig werkloos is door zelfstandige werkzaamheden in Duitsland.

Uitspraak

15.6619 WW

Datum uitspraak: 21 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2015, 15/1201 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, woonachtig in Nederland, is vanaf 1983 als grensarbeider werkzaam geweest bij een in Duitsland gevestigde werkgever (werkgever). Daarnaast is appellant vanaf 5 augustus 2013 gedurende gemiddeld dertien uur per week werkzaam geweest als zelfstandige in Duitsland. In verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werkgever per 1 januari 2015 heeft appellant op 1 december 2014 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Bij besluit van 21 januari 2015 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant grensarbeider was. Volgens het Uwv is appellant niet volledig werkloos geworden, omdat hij in Duitsland nog werkzaamheden als zelfstandige is blijven verrichten. Appellant moet volgens het Uwv daarom in Duitsland een uitkering in verband met werkloosheid aanvragen.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2015 onder verwijzing naar onder meer de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werkgever voor dertien uur per week werkzaam is gebleven als zelfstandige in Duitsland. Op grond van de gegeven uitleg van de begrippen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van
15 maart 2001, C-444/98, ECLI:EU:C:2001:165 (De Laat) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015, C-655/13, ECLI:EU:C:2015:62 (Mertens) moet worden geconcludeerd dat appellant niet is aan te merken als een volledig werkloze grensarbeider in de zin van artikel 65, tweede lid, van Vo 883/2004. Appellant heeft immers per de in geding zijnde datum niet alle banden met de lidstaat waarin hij in loondienst werkzaam was verbroken, aangezien hij in Duitsland als zelfstandige werkzaam is gebleven. Een andere uitleg zou niet overeenstemmen met het uitgangspunt van Vo 883/2004 dat aan de migrerende werknemer werkloosheidsuitkeringen worden uitgekeerd onder voorwaarden die het gunstigst zijn voor het zoeken van nieuw werk. Volgens de rechtbank staat de meer formele benadering zoals neergelegd in Besluit U3 niet aan dit oordeel in de weg, aangezien uit dit besluit volgt dat indien een zelfstandige geen enkele beroeps- of handelsactiviteit meer uitoefent in de lidstaat waar hij dat voorheen heeft gedaan hij wordt beschouwd als volledig werkloos. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat wanneer een zelfstandige nog wel een beroeps- of handelsactiviteit uitoefent in de lidstaat waar hij dit voorheen heeft gedaan hij als gedeeltelijk werkloos kan worden beschouwd.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij volledig werkloos is en daarom recht heeft op een werkloosheidsuitkering van zijn woonstaat. Hij heeft toegelicht dat deze mening wordt bevestigd door het Duitse Arbeitsambt, aangezien hem Arbeitslosengeld is geweigerd. Volgens appellant volgt uit Besluit U3 dat de werkstaat (Duitsland) moet bepalen of hij volledig werkloos is of niet.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft daarbij een nieuwe beslissing van het Agentur für Arbeit te Essen gevoegd, waaruit blijkt dat appellant alsnog in aanmerking is gebracht voor Arbeitslosengeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de toepasselijke regelgeving en het beoordelingskader wordt verwezen naar overweging 7 tot en met 10 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant gemotiveerd verworpen. Met de overwegingen van de rechtbank wordt ingestemd. Inmiddels is bovendien gebleken dat appellant door het Agentur für Arbeit te Essen ook Arbeitslosengeld is verstrekt. Daarmee is vast komen te staan dat appellant ook volgens de Duitse autoriteiten aanspraak had op een werkloosheidsuitkering volgens het recht van het werkland.
4.3.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) W.M. Swinkels
md