De zaak betreft een geschil over de vaststelling en terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2014. Het zorgkantoor had het pgb aanvankelijk op nihil vastgesteld en het volledige bedrag van €68.915,20 teruggevorderd. Na bezwaar werd dit gedeeltelijk herzien tot een vaststelling van €29.605,17 en een terugvordering van €39.310,03.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde in hoger beroep of het zorgkantoor terecht een deel van de besteding van het pgb had afgekeurd, met name de zorg geleverd door twee zorgverleners. De Raad oordeelde dat de door de eerste zorgverlener geleverde zorg voldoende was onderbouwd en daarom goedgekeurd moest worden. De zorg geleverd door de tweede zorgverlener was onvoldoende concreet aangetoond als AWBZ-zorg, waardoor afkeuring hiervan redelijk was.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, stelde het pgb vast op €44.455,17 en beperkte de terugvordering tot €24.460,03. Tevens werd het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellant. De uitspraak vervangt het eerdere besluit van 7 oktober 2016.