Appellant ontving sinds 3 november 2008 een WIA-uitkering. Het Uwv ontving op 9 december 2013 een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte op een adres, wat hij niet had gemeld. Na onderzoek met waarnemingen en getuigenverklaringen concludeerde het Uwv dat appellant in de periode van 17 december 2013 tot en met 22 januari 2014 werkzaamheden verrichtte en herzag de uitkering en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij geen werkzaamheden had verricht, slechts morele ondersteuning bood en dat zijn medische situatie hem verhinderde te werken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening niet-ontvankelijk en het beroep tegen de boete ongegrond. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellant wel werkzaamheden verrichtte, dat deze werkzaamheden loonwaarde hebben en dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad stelde vast dat het Uwv terecht de uitkering herzag en het bedrag terugvorderde. De opgelegde boete was passend, maar op grond van het nieuwe Boetebesluit socialezekerheidswetten werd de boete verlaagd naar €236,83. Het Uwv moet appellant het verschil van €3,17 restitueren. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant.