Uitspraak
17.5556 AOW, 18/2041 AOW
OVERWEGINGEN
ter zittingte kennen gegeven dat ten onrechte uitsluitend is beoordeeld of betrokkene in de jaren in geding redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de Nederlandse (en niet de Luxemburgse) socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is. Ook had actief moeten worden onderzocht en beoordeeld of er in het geval van betrokkene anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek van betrokkene om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over de periode 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010.
primairop het standpunt gesteld dat hem uit de brief van de Belastingdienst van 1 juni 2010 niet duidelijk kon zijn dat hij in Nederland verzekerd was. Hij wijst erop dat de Belastingdienst hem ook gedurende het jaar 2008 en van 1 januari 2009 tot en met 24 juli 2009 in Luxemburg verzekerd heeft geacht. Het was betrokkene niet bekend dat de Rijnvaartverklaring van de [naam schip] op 24 juli 2009 was ingetrokken. Hij vernam dit pas uit een brief van de Belastingdienst van 7 februari 2012. De brieven van de Belastingdienst riepen niet zodanige vragen op dat er voor betrokkene aanleiding was zich voor verduidelijking van zijn positie tot die dienst te wenden. Er is geen vroegere bestuursfunctie van betrokkene bij de rechtsvoorganger en zijn familierelatie met huidige bestuurders van [BV] is volgens betrokkene niet relevant.
verwerptde stelling van de Svb dat betrokkene op grond van de brief van de Belastingdienst van 1 juni 2010 meer dan voorheen rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat hij in het vervolg onderworpen zou worden geacht aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Deze brief heeft betrekking op het jaar 2007. Voor de periode tot en met 26 augustus van dat jaar wordt vastgesteld dat er geen Rijnvaartverklaring is overgelegd die tot de conclusie kan leiden dat betrokkene niet in Nederland verzekerd is. Voor het resterende deel van 2007 is betrokkene verzekerd geacht in Luxemburg. Daarbij is afgegaan op de afgegeven Rijnvaartverklaring, waarop [naam bedrijf 1] als exploitant van het motorschip [naam schip] is opgenomen. Daarbij zijn weliswaar twijfels geuit over de juistheid van deze Rijnvaartverklaring, maar daaruit kon voor betrokkene niet duidelijk zijn dat deze verklaring in de toekomst niet meer gevolgd zou worden en hij in Nederland als premieplichtig zou worden beschouwd. Hiertegen pleit reeds dat de Belastingdienst deze Rijnvaartverklaring ook in 2008 en in 2009 heeft gevolgd, totdat de verklaring in juli 2009 werd ingetrokken. Uit de voor handen zijnde stukken kan niet worden afgeleid dat betrokkene van die intrekking eerder op de hoogte was dan door een brief van de Belastingdienst van begin 2012 over de aanslag over 2009.
verwerpthet incidentele hoger beroep van betrokkene. Nu de Rijnvaartverklaring van de [naam schip] op 24 juli 2009 is ingetrokken en dit schip, zoals onweersproken is gesteld, werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming, was betrokkene verzekerd voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Het
BESLISSING
- bepaalt dat beroep tegen de door de Svb te nemen nieuwe beslissing op bezwaar alleen bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 751,50.