ECLI:NL:CRVB:2018:3872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als medewerker montage/inpak in WSW-verband en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarin zij geschikt werd geacht voor haar maatgevende arbeid. Appellante voerde aan dat haar beperkingen niet juist waren ingeschat en dat haar werk niet meer bestond, maar deze bezwaren werden verworpen.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk en psychisch onderzoek door verzekeringsartsen. Er was geen sprake van wapenongelijkheid of schending van het equality of arms-beginsel. De Raad bevestigde dat de maatstaf voor ongeschiktheid de laatstelijk verrichte arbeid is, ongeacht de beschikbaarheid van die arbeid.
Met betrekking tot de WIA-uitkering stelde de Raad vast dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht naar de arbeidsongeschiktheid in de relevante periode, waarbij ook een eerdere tussenuitspraak was gevolgd. De medische rapporten ondersteunden het oordeel dat appellante niet arbeidsongeschikt was in die periode. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek.