ECLI:NL:CRVB:2013:2213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd na herstelverklaring
Appellante, werkzaam als postsorteerder, staakte haar werk op 13 december 2004 wegens depressieve klachten en knieklachten. Het UWV kende haar vanaf 1 februari 2009 een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 19 juni 2006 omdat zij hersteld werd verklaard. Appellante verzocht om herziening, wat werd afgewezen. Vervolgens vroeg zij op 8 april 2011 een WIA-uitkering aan, die het UWV weigerde omdat de wachttijd niet was vervuld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, oordeelde dat het UWV ten onrechte te veel gewicht had toegekend aan de hersteldverklaring en het ontbreken van ziekengeld, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met medische informatie, met name van haar neuroloog.
De Raad overwoog dat het ontbreken van ziekengeld geen zelfstandige betekenis heeft bij de beoordeling van de wachttijd en dat de rechtbank ten onrechte niet had onderzocht of appellante binnen vier weken na 21 juni 2006 opnieuw arbeidsongeschikt was geworden. Uit het dossier bleek echter geen objectief medisch bewijs dat dit het geval was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante de wachttijd niet heeft vervuld.