ECLI:NL:CRVB:2018:3912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering persoonsgebonden budget 2014 wegens contante betaling zorg
Appellant ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €13.841,04. Hij betaalde een deel van de zorg contant aan een zorgverlener zonder bankrekening, wat in strijd was met de pgb-verplichtingen. Het zorgkantoor stelde het pgb uiteindelijk vast op €5.857,96 en vorderde €7.944,89 terug.
Appellant stelde dat hij afhankelijk was van de zorgverlener en dat bewijs van zorgverlening ontbrak omdat documenten waren ontvreemd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en het bestreden besluit omdat het zorgkantoor het herzieningsverzoek niet correct had behandeld.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor het pgb terecht lager had vastgesteld vanwege de contante betalingen en dat het zorgkantoor in redelijkheid het bedrag van €7.944,89 mocht terugvorderen. De Raad veroordeelde het zorgkantoor tevens in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de terugvordering van €7.944,89 blijft in stand.