ECLI:NL:CRVB:2018:4126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Schoneveld
- J.T.H. Zimmerman
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening niet gemelde inkomsten en boete bij bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand vanaf februari 2015 en had vanaf augustus 2015 inkomsten uit werkzaamheden die niet waren gemeld aan de Dienst Werk en Inkomen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam schortte het recht op bijstand op en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug, die werd verrekend over drie maanden. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het college terecht geen rekening hoefde te houden met de beslagvrije voet bij de verrekening en dat de boete proportioneel was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verrekening over twaalf maanden had moeten plaatsvinden en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van zijn minderjarige kind, waardoor artikel 3 IVRK Pro was geschonden.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de rechtstreekse werking van artikel 3 IVRK Pro beperkt is en dat het college zich voldoende rekenschap had gegeven van de belangen van het kind. De verrekening over drie maanden was gerechtvaardigd omdat vaste lasten werden doorbetaald en appellant naast de bijstand ook middelen ontving. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verrekening van niet gemelde inkomsten en de opgelegde boete zonder schending van artikel 3 IVRK.