Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en werden onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde inkomsten. Het college stelde vast dat er diverse bijschrijvingen van derden op de bankrekening van appellant plaatsvonden, die niet waren gemeld. Hierdoor werd de bijstand over meerdere maanden herzien en deels ingetrokken, met een terugvordering tot gevolg.
Appellanten voerden aan dat de bijschrijvingen leningen of giften waren, dat zij niet vrijelijk over het geld konden beschikken, en dat het college ten onrechte niet had onderzocht of sprake was van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat de bijschrijvingen als inkomsten in de zin van de Participatiewet moesten worden beschouwd, ongeacht de kwalificatie als lening, en dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden.
Verder oordeelde de Raad dat geen dringende redenen waren aangetoond die een terugvordering zouden moeten voorkomen. Het college had het terugvorderingsbedrag verlaagd en de Raad stelde dit bedrag definitief vast op €4.571,62. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. Het hoger beroep werd deels gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.