ECLI:NL:CRVB:2018:4187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende inzicht in besteding geldbedrag
De appellant had op 8 februari 2014 een bedrag van €96.910,57 op de bankrekening staan. Tot en met juli 2015 heeft zij hiervan €46.490,- contant opgenomen en ook het resterende bedrag bijna volledig van de bank opgenomen. In de procedure heeft appellant verklaard waaraan zij een groot deel van het contant opgenomen geld heeft besteed, zoals €13.000,- aan boodschappen en enkele dierenartskosten. Echter heeft zij deze uitgaven, op enkele uitzonderingen na, niet met bewijsstukken onderbouwd, waardoor de juistheid van haar verklaring niet kan worden gecontroleerd.
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld. De aangevallen uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de aanvragen om bijstand van 5 augustus 2015 en 18 januari 2016 zijn afgewezen, worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2018, waarbij de appellant werd vertegenwoordigd door een advocaat en het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren door een gemachtigde.
Uitkomst: De aanvragen om bijstand zijn terecht afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de besteding van het geldbedrag.