ECLI:NL:CRVB:2018:4213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Wmo-maatwerkvoorziening
Appellant, met een reguliere verblijfsvergunning, vroeg op grond van de Wmo 2015 om hulp bij het vinden van passende woonruimte. Het college wees de aanvraag af, maar verleende later maatschappelijke opvang voor zes maanden. Het bezwaar tegen de afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het college meende dat het bezwaar reeds was beantwoord met het verstrekken van maatschappelijke opvang.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het college niet aan het bezwaar was tegemoetgekomen, omdat bemiddeling bij het verkrijgen van een woning niet onder de Wmo valt. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds procesbelang had omdat hij schadevergoeding wilde wegens de periode van substandaard opvang.
De Raad overwoog dat procesbelang vereist dat het beoogde resultaat feitelijk kan worden bereikt en dat een louter principieel belang onvoldoende is. Aangezien appellant inmiddels een zelfstandige woning huurt en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij immateriële schade had geleden, ontbrak het aan procesbelang.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.