ECLI:NL:CRVB:2018:4288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvorderingsbesluit bijstand na eerdere vernietiging
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot terugvordering van bijstandskosten over de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 2006. Eerder had de Centrale Raad van Beroep het besluit over de periode 1997-1999 vernietigd, omdat appellanten toen niet beschikten over vermogen boven de vermogensgrens.
In het bestreden besluit heeft het college de terugvordering voor de periode 1999-2006 vastgesteld op €100.670,64, gebaseerd op het niet melden van onroerende zaken in Turkije. Appellanten voerden aan dat zij niet over vermogen boven de vermogensgrens beschikten en dat sommige percelen nooit hun eigendom waren, mede door een persoonsverwisseling bij het kadaster.
De Raad verwijst naar zijn eerdere uitspraak waarin deze beroepsgronden reeds zijn verworpen en stelt dat de huidige procedure zich beperkt tot de juiste uitvoering van de eerdere uitspraak. Omdat appellanten geen nieuwe gronden tegen de berekening van de terugvordering hebben aangevoerd, verklaart de Raad het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.