ECLI:NL:CRVB:2018:447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering aftrek collegegeld als kosten bij deeltijdondernemerschap in bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand en verrichtte deeltijdondernemerschap. Het college verleende toestemming voor bedrijfsactiviteiten en bracht inkomsten minus bepaalde bedrijfskosten in mindering op de bijstand. Het college weigerde echter de kosten van collegegeld voor een masteropleiding als aftrekpost te erkennen, omdat deze niet essentieel waren voor de onderneming. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het college ten onrechte niet de fiscale regels volgde en dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de inkomsten gelijk zijn aan de omzet en dat bedrijfskosten in beginsel buiten beschouwing blijven bij deeltijdondernemers die bijstand ontvangen. Het college voerde een buitenwettelijk begunstigend beleid dat bepaalde kosten wel in mindering bracht, maar opleidingskosten waren niet opgenomen in de lijst van aftrekposten.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was dat collegegeld aftrekbaar zou zijn. Ook was geen sprake van inmenging in de bedrijfsvoering. De Raad concludeerde dat het college bevoegd was het collegegeld niet als aftrekpost te erkennen en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de kosten van collegegeld voor een masteropleiding niet als aftrekpost heeft meegenomen bij de herziening van bijstand.