ECLI:NL:CRVB:2018:465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- W.F. Claessens
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel 100% verlaging bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellante was sinds 2006 taxichauffeur en ontving vanaf 2010 bijstand. In 2015 werd haar arbeidsovereenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden, zonder rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn van twee maanden. Hierdoor werd haar WW-uitkering over februari en maart 2015 geweigerd. Het college legde een maatregel op door de bijstand over augustus 2015 met 100% te verlagen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de maatregel onterecht was opgelegd over een latere periode dan de gedraging, dat geen benadelingshandeling had plaatsgevonden, en dat zij onder druk de vaststellingsovereenkomst had getekend. De Raad verwierp deze gronden omdat het college juist had gehandeld conform de geldende verordening en omdat appellante geen bewijs had geleverd voor haar stellingen.
De Raad concludeerde dat appellante door haar gedrag de bijstand terecht is verlaagd met 100% voor één maand en dat matiging niet aan de orde was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De maatregel van 100% verlaging van de bijstand voor één maand wordt bevestigd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.