Appellant had zijn ontslagvergoeding ingebracht in een stamrecht-B.V. en ontving uitkeringen uit deze B.V. tijdens zijn WW-uitkering. Het UWV vorderde een voorschot WW-uitkering terug op basis van een belastbaar loon dat appellant zou hebben genoten. De rechtbank verklaarde dit standpunt juist, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat uitkeringen uit een stamrecht-B.V. worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en niet als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Dit betekent dat deze uitkeringen niet betrokken mogen worden bij de berekening van het recht op WW-uitkering. De fiscale constructie met meerdere B.V.'s, waarbij appellant ook werkzaamheden verrichtte in een werkmaatschappij, verandert hieraan niets.
De Raad volgt het standpunt van de Belastingdienst die het inkomen in 2011 heeft gecorrigeerd en het stamrechtinkomen heeft aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het UWV-besluit van 28 mei 2014 en bepaalt dat het voorschot niet teruggevorderd wordt.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, waaronder kosten van rechtsbijstand en deskundigenkosten.