ECLI:NL:CRVB:2018:521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening intrekking nabestaandenuitkering op grond van de Anw
Appellante verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om terug te komen op het besluit van 26 mei 2009 waarbij haar nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) werd ingetrokken omdat zij volgens de Svb op het moment van aanvraag gehuwd was. De Svb wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en het besluit niet onmiskenbaar onjuist was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat het besluit onmiskenbaar onjuist was, maar de Svb handhaafde haar standpunt dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd en dat het beleid een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar kent.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat het beleid van de Svb binnen redelijke grenzen ligt en dat appellante op het moment van het herzieningsverzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor een Anw-uitkering. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijken van het beleid rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering blijft in stand.