Eiser ontving een AOW-uitkering met een korting wegens vermeende schuldige nalatigheid over 2004. Na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in 2016 bleek deze korting onterecht. Verweerder verhoogde de AOW-uitkering ambtshalve, maar stelde de ingangsdatum van de verhoging op 13 mei 2016, de datum van de CRvB-uitspraak.
Eiser betwistte deze ingangsdatum en wilde terugwerkende kracht vanaf februari 2009, de oorspronkelijke ingangsdatum van zijn AOW. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de ingangsdatum op 2016 was gesteld, waardoor het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde en vernietigd moest worden.
Desondanks vond de rechtbank de uiteindelijke motivering in het verweerschrift en tijdens de zittingen voldoende en achtte zij de ingangsdatum van 13 mei 2016 niet kennelijk onredelijk. De rechtbank liet daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
De zaak betrof de toepassing van beleidsregels SB1076 en SB1328 omtrent terugwerkende kracht bij herziening van rechtens onaantastbare besluiten, waarbij een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar mogelijk is, afhankelijk van de situatie. Verweerder had de situatie van eiser als bijzonder aangemerkt en koos voor terugwerkende kracht vanaf de CRvB-uitspraak, wat door de rechtbank als redelijk werd beoordeeld.