ECLI:NL:CRVB:2018:549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf niet op uitkeringsadres niet zorgvuldig vastgesteld
Appellant ontving bijstand van oktober 2013 tot november 2015 en werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag teruggevorderd voor de periode 25 mei tot 31 oktober 2015, omdat hij volgens het college niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit was gebaseerd op camerabeelden, verklaringen van getuigen en energie- en waterverbruiksgegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelt dat de verklaringen van getuigen W en N niet de waarde hebben die het college eraan toekende en dat het lage energie- en waterverbruik niet uitsluitend aan appellant kan worden toegerekend. Het college heeft onvoldoende onderzoek verricht, zoals het niet houden van een huisbezoek en het niet horen van alle relevante getuigen.
De Raad concludeert dat het college het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het niet berust op een deugdelijke feitelijke grondslag. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd, evenals eerdere besluiten, en behoudt appellant recht op bijstand over de betreffende periode. Tevens wordt het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening van bijstand wordt vernietigd vanwege onvoldoende bewijs en onzorgvuldige besluitvorming.