ECLI:NL:CRVB:2018:550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Mede-terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks vrijspraak strafrechter
Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en stond ingeschreven op een ander adres dan de bijstandsgerechtigde [A 1], die bijstand ontving volgens de Wet werk en bijstand. Uit onderzoek van de gemeente en sociale recherche bleek dat appellant en [A 1] een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van [A 1].
Het college vorderde de bijstand die aan [A 1] was verleend mede terug van appellant, omdat niet was gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor onterecht alleen rekening werd gehouden met de middelen van [A 1]. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij slechts tijdelijk bij [A 1] verbleef en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg. De Raad oordeelde dat uit verklaringen van [A 1], getuigen en onderzoek blijkt dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van [A 1], en dat sprake was van wederzijdse zorg, ook al was deze niet volledig gelijkwaardig. De strafrechtelijke vrijspraak van appellant doet aan deze bestuursrechtelijke beoordeling niet af, omdat het om verschillende rechtsvragen gaat.
De Raad bevestigde de terugvordering mede van appellant op grond van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand mede van appellant wegens gezamenlijke huishouding met de bijstandsgerechtigde.