Uitspraak
16 866 WIA
23 december 2015, 15/1585 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als vertegenwoordiger en meldde zich ziek in 2007. Het UWV kende hem in 2009 een loongerelateerde WIA-uitkering toe, die in 2015 werd beëindigd en omgezet in een WGA-uitkering. In 2013 meldde appellant inkomsten als artiest over 2012, waarna het UWV onderzoek deed en vaststelde dat hij ook in 2010 en 2011 als artiest werkte. Dit leidde tot herziening van de uitkering en terugvordering van een bedrag, plus een boete.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat werd afgewezen. Later verzocht hij het UWV om terug te komen op deze besluiten op grond van nieuwe feiten, namelijk zijn inkomsten als artiest sinds 1993. Het UWV wees dit verzoek af omdat deze feiten niet nieuw waren en appellant ze eerder had kunnen aanvoeren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de inkomsten als artiest geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze al bekend waren bij appellant ten tijde van de eerdere besluiten. Het verzoek om terug te komen werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep slaagde niet.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen van eerdere besluiten over de WIA-uitkering en terugvordering wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.