ECLI:NL:CRVB:2018:693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving vanaf juni 2013 een WW-uitkering die door het UWV werd beëindigd vanwege detentie, maar later werd voortgezet tot het bereiken van de maximale duur. Uit controle bleek dat appellant tussen maart en juli 2014 via een werkgever had gewerkt zonder dit te melden, waardoor onverschuldigd uitkering werd ontvangen.
Het UWV herzag de uitkering en vorderde het bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de plicht tot melding was geschonden en dat de gezondheidstoestand geen dringende reden vormde om af te zien van terugvordering. Ook werden de artikelen 3:4 en 4:84 Awb niet als grond voor vernietiging erkend.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over dringende redenen en bijzondere omstandigheden, onder meer vanwege een drugsverslaving. De Raad verwierp dit, bevestigde dat de wettelijke bepalingen dwingend zijn en dat geen bijzondere omstandigheden waren die tot afwijking konden leiden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.