ECLI:NL:CRVB:2018:799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland
Appellant ontving bijstand en verbleef van 19 juni 2013 tot 30 oktober 2013 in het buitenland zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand over deze periode in en vorderde de kosten terug. De bezwaarcommissie verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat het recht op bijstand over de eerste vier weken van het verblijf in het buitenland wel vast kan worden gesteld en dat er sprake was van dringende redenen voor het verblijf. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van het verblijf in het buitenland, maar dat het recht op bijstand over de eerste vier weken niet kan worden ontzegd op grond van het niet melden van het verblijf.
De Raad stelde vast dat artikel 13 WWB Pro bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat bij verblijf langer dan vier weken in het buitenland, maar dat over de eerste vier weken wel recht bestaat. De door appellant aangevoerde dringende redenen werden niet als zodanig erkend. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor de periode van 19 juni tot 17 juli 2013 en herroept het college dit deel van het besluit. Voor de periode daarna blijft de intrekking in stand. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over de eerste vier weken van het verblijf in het buitenland wordt vernietigd; over de periode daarna blijft intrekking in stand.