Eiseres, moeder van twee minderjarige kinderen, ontving een bijstandsuitkering en vroeg toestemming voor verblijf in het buitenland van 27 juli tot 27 augustus 2017. Verweerder verleende toestemming tot 24 augustus 2017. Eiseres verbleef echter van 23 juli tot 21 september 2017 in het buitenland. Verweerder trok daarom de uitkering in over de periode 21 augustus tot 21 september 2017 wegens overschrijding van de toegestane verblijfstermijn.
Eiseres stelde dat zij door overmacht langer verbleef, omdat haar Iraanse paspoort werd ingenomen waardoor zij niet kon terugreizen op de geplande datum 17 augustus 2017. Zij reisde later illegaal via Turkije terug naar Nederland. De rechtbank achtte dit aannemelijk en oordeelde dat sprake was van overmacht waardoor het college niet bevoegd was het besluit te nemen of dat er dringende redenen waren om bijstand te verlenen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor eiseres recht behoudt op bijstand over de gehele periode. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak bevestigt dat in situaties van overmacht en niet verwijtbaar langer verblijf in het buitenland het recht op bijstand niet mag worden ingetrokken.