ECLI:NL:CRVB:2018:856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Werknemer viel in september 2006 uit en kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend door het UWV, met een arbeidsongeschiktheid vastgesteld tussen 35% en 80%. Na beëindiging van het dienstverband in mei 2010 ontving werknemer een WW-uitkering en later een WGA-vervolguitkering. Appellante maakte bezwaar tegen een wijzigingsbesluit van 2014, stellende dat het UWV ten onrechte geen medische herbeoordeling in december 2008 had uitgevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het voorgenomen besluit als primair besluit kon worden aangemerkt en constateerde een schending van het hoor en wederhoor-beginsel, maar passeerde deze schending. De rechtbank vond geen aanleiding om de datum van volledige arbeidsgeschiktheid te vervroegen en legde het risico van het ontbreken van een tijdige herbeoordeling bij appellante.
In hoger beroep stelde appellante dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat het UWV een herbeoordeling had moeten uitvoeren, wat financiële nadelen voor haar had veroorzaakt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen belang had bij het aanvechten van de uitkeringsbesluiten zelf, maar slechts bij de financiële gevolgen van het niet uitvoeren van een herbeoordeling. Omdat de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet werd betwist, ontbrak het procesbelang en had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van de artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.