ECLI:NL:CRVB:2018:86
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij vijf kostendelende medebewoners
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand en woont samen met zijn vader, moeder, broer en zus op hetzelfde adres. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de bijstand van appellant verlaagd op grond van de kostendelersnorm, omdat hij met vier bloedverwanten in eerste en tweede graad samenwoont. De rechtbank heeft het beroep deels gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
In hoger beroep betoogt appellant dat hij geen andere kosten deelt dan de woonlasten en dat de verlaging van de bijstand disproportioneel is, met inbreuk op zijn rechten op privé- en familieleven (art. 8 EVRM Pro), discriminatieverbod (art. 14 EVRM Pro) en eigendomsrecht (art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM). Tevens stelt hij dat de overgangsperiode niet redelijk is.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin dezelfde gronden zijn behandeld en concludeert dat appellant geen nieuwe feiten of argumenten heeft aangevoerd die aanleiding geven tot een ander oordeel. De stelling van een buitensporig zware last is onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.