ECLI:NL:CRVB:2018:910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op praktische thuisondersteuning en schadevergoeding WMO
Appellant had een aanvraag voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) gedaan, die door het college werd afgewezen. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank het college in het gelijk en bepaalde dat een nieuwe beslissing moest worden genomen. De rechtbank oordeelde dat appellant niet in staat is de regie over zijn huishouden te voeren en dat het college dit moet compenseren.
Het college kende vervolgens praktische thuisondersteuning van vier uur per week toe. Appellant bestreed deze beslissing in hoger beroep en voerde aan dat de toegekende ondersteuning onvoldoende is en dat de rechtbank ten onrechte schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn had afgewezen.
De Raad beoordeelde dat de medische beperkingen voldoende waren vastgesteld en dat de toekenning van vier uur praktische thuisondersteuning adequaat is. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedures grotendeels hetzelfde onderwerp betroffen en reeds een vergoeding was toegekend. Ook het verzoek om materiële schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan causaal verband.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 wordt bevestigd.