Uitspraak
16.3285 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
het bedrag van de boete vast op € 5.466,67 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 17 maart 2015;
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en hadden een aanvraag voor zelfstandigenbijstand ingediend die werd afgewezen. Tijdens een heronderzoek bleek dat appellanten een bedrag van €20.000 hadden ontvangen, waarvan zij slechts gedeeltelijk bewijsstukken konden overleggen. Het college stelde dat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door niet alle bankafschriften te overleggen en niet volledig te verklaren over ontvangen bedragen.
Het college trok de bijstand in en legde een boete op. Appellanten voerden aan dat zij geen schending hadden gepleegd en dat het vermogen correct was verantwoord, met schulden die het vermogen zouden verminderen. De rechtbank wees het beroep af. De Raad oordeelde dat het beroep tegen het besluit tot intrekking niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van hoger beroep tegen dat besluit.
De Raad bevestigde dat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door niet alle relevante bankafschriften te overleggen en onvolledige verklaringen te geven. Het college mocht daarom de bijstand intrekken. De Raad matigde de boete echter van ruim €10.000 naar €5.466,67, omdat de latere wetswijziging een lagere boete voorschrijft. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor intrekking bijstand, boete gematigd tot €5.466,67 en proceskosten toegekend.