Appellant, militair sinds 2006, werd ontslagen wegens wangedrag op grond van vermeend drugsgebruik en bezit van verboden voorwerpen. De staatssecretaris baseerde het ontslag op een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek, waarbij onder meer MDMA-zakjes in een auto van appellant werden aangetroffen en beschuldigingen van drogering van een vrouw werden meegenomen.
De militaire kamer van de rechtbank wees het beroep af en handhaafde het ontslag. In hoger beroep betwist appellant de beschuldigingen en stelt dat het ontslag gebaseerd is op aannames. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat niet is vastgesteld dat appellant zich met verdovende middelen heeft ingelaten, mede omdat de auto eigendom was van zijn moeder en door meerdere personen werd gebruikt. Ook de beschuldigingen van drogering zijn niet bewezen.
Wel is vastgesteld dat appellant verboden voorwerpen bezat, namelijk een vouwmes, een lawinepijl en vier patroonhouders. Deze gedragingen zijn wangedrag, maar de Raad vindt dat dit niet ernstig genoeg is voor onvoorwaardelijk ontslag. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het ontslagbesluit vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.