Appellant, een minderjarige met ADHD en een gedragsstoornis, ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 32.577,60 voor zorg. Het Zorgkantoor stelde het pgb later vast op € 7.405,96 en vorderde een bedrag van € 25.171,64 terug wegens onvoldoende verantwoording van de besteding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet aan zijn verantwoordingplicht had voldaan en dat eerdere goedkeuringen van betalingen geen gerechtvaardigde verwachting schepten. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk zorg had ingekocht en dat het Zorgkantoor zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende had meegewogen.
De Raad oordeelde dat appellant met aanvullende stukken aannemelijk had gemaakt dat betalingen aan twee zorgverleners voor zorg in september en november 2013 waren verricht en dat deze zorg uit het pgb mocht worden betaald. Daarom was het niet redelijk om deze bedragen niet als verantwoorde besteding te accepteren.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde het pgb voor 2013 vast op € 13.815,24, met een terugvordering van € 18.762,36. Tevens werd het Zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellant. De Raad benadrukte dat de verantwoording van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van appellant blijft, ook indien het beheer door derden wordt verricht.