ECLI:NL:CRVB:2018:976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging waarnemingstoelage en afwijzing benoeming na langdurige waarneming politie
Appellante was langdurig belast met de waarneming van een hogere functie binnen de politie en ontving daarvoor een waarnemingstoelage. Na beëindiging van deze waarneming per 1 februari 2014 bleef zij de toelage ontvangen tot 1 juli 2016. De korpschef beëindigde de waarnemingstoelage en wees het verzoek van appellante om benoeming in de waargenomen functie af, omdat de waarneming was beëindigd en zij niet voldeed aan de criteria uit de interne richtlijn.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de korpschef de interne richtlijn onredelijk toepaste en dat haar verzoek om benoeming terecht toegewezen had moeten worden. Ook betoogde zij dat de waarnemingstoelage niet had mogen worden beëindigd vanwege haar langdurige waarneming.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de korpschef de interne richtlijn redelijk heeft toegepast, omdat appellante pas na anderhalf jaar na beëindiging van de waarneming om benoeming verzocht. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. De beëindiging van de waarnemingstoelage was op goede gronden gebaseerd, mede omdat de toelage slechts voor de duur van de waarneming was toegekend en er geen sprake was van een vaste taak of vaste beloning.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de waarnemingstoelage en wijst het verzoek om benoeming af.