ECLI:NL:CRVB:2018:977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoorwaardelijk ontslag wegens toerekenbaar plichtsverzuim door diefstal
Appellante was sinds 2000 in dienst van de gemeente Rotterdam en werkte sinds 2013 als herplaatsingskandidaat in een winkel. Op 24 november 2015 ontstond het vermoeden dat zij een geldbiljet van tien euro, ontvangen van een klant, in haar jaszak had gestopt in plaats van in de kassalade. Na een integriteitsonderzoek werd geconcludeerd dat zij zich schuldig had gemaakt aan diefstal of verduistering. Het college legde haar daarop onvoorwaardelijk ontslag op, wat na bezwaar werd gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ontslag ongegrond en oordeelde dat het plichtsverzuim ernstig was en dat de disciplinaire straf niet onevenredig was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat medicijngebruik haar gedrag negatief beïnvloedde, maar dit werd niet geloofd. De Raad vond de gedragingen bewezen op basis van camerabeelden en oordeelde dat het gedrag in strijd was met de ambtelijke plicht.
De Raad overwoog dat de geringe waarde van het geldbedrag niet relevant is voor de beoordeling van plichtsverzuim. Het vertrouwensverlies was doorslaggevend voor het opleggen van het onvoorwaardelijk ontslag, ondanks het advies van de bezwaarschriftencommissie om het ontslag voorwaardelijk te maken. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het onvoorwaardelijk ontslag wordt bevestigd.