ECLI:NL:CRVB:2019:1041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en WAZO-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante had bij het UWV een WW-uitkering, toeslag en WAZO-uitkering ontvangen op grond van een vermeende dienstbetrekking bij [naam B.V.]. Na een onderzoek naar aanleiding van een melding van de Arbeidsinspectie concludeerde het UWV dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en dat appellante niet als werknemer verzekerd was.
Het UWV trok de uitkeringen en toeslag in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Raad oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstbetrekking was en dat appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens tegenbewijs had geleverd. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de uitkeringen en toeslag.
De Raad wees erop dat het aan het bestuursorgaan is om de feiten aan te dragen en dat de bewijslast voor tegenbewijs bij appellante ligt. De inconsistenties in de door appellante overgelegde documenten en verklaringen van getuigen en betrokkenen ondersteunden het oordeel van het UWV.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2019 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de uitkeringen en toeslag worden bevestigd.