ECLI:NL:CRVB:2019:1056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken van co-ouderschap
Appellant en belanghebbende zijn voormalig gehuwd en hebben samen twee kinderen. Na de ontbinding van het huwelijk werd de kinderbijslag aan belanghebbende uitbetaald. Appellant verzocht met terugwerkende kracht kinderbijslag toe te kennen, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af wegens het ontbreken van co-ouderschap, omdat de kinderen het merendeel van de tijd bij belanghebbende verblijven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat sprake is van co-ouderschap, onderbouwd met een brief van Bureau Jeugdzorg en een beroep op artikel 8 EVRM Pro over het recht op gezinsleven. De Svb handhaafde haar standpunt dat geen sprake is van co-ouderschap en dat het gezinsleven niet wordt aangetast.
De Raad overwoog dat co-ouderschap vereist dat het kind in overwegend gelijke mate bij beide ouders verblijft, wat volgens de vastgestelde omgangsregeling niet het geval is. De brief van Bureau Jeugdzorg gaf onvoldoende duidelijkheid over de zorgverdeling. Ook de vergelijking met een ander geval waarin co-ouderschap werd aangenomen, was niet relevant vanwege verschillen in verblijfsduur.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het recht op gezinsleven faalde omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn gezinsleven wordt aangetast. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor co-ouderschap.