ECLI:NL:CRVB:2019:112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen per 1 januari 2014
Appellante was tot 2006 werkzaam als telefonisch verkoopmedewerkster en meldde zich toen ziek met diverse klachten. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, die in 2009 werd beëindigd wegens een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot onder de 35%.
In 2015 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid per 1 januari 2014. Het UWV voerde een medisch en arbeidskundig onderzoek uit en concludeerde dat er geen objectieve toename van beperkingen was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar belastbaarheid werd overschreden, onder meer vanwege haar vaatstoornis, rugproblemen en het gebruik van een rolstoel. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de klachten niet objectief waren toegenomen en dat de arbeidskundige beoordeling de belastbaarheid niet overschreed.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee het recht op een WIA-uitkering werd ontzegd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering per 1 januari 2014 wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.