ECLI:NL:CRVB:2019:1172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen en recht op bijstand volgens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Appellant exploiteerde een landbouwmechanisatiebedrijf en vroeg bijstand aan op grond van de WWB en het Bbz 2004. Het college verleende aanvankelijk bijstand in de vorm van een renteloze lening, onder voorbehoud van definitieve vaststelling van het vermogen. Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf stelde het vermogen per eind 2013 vast, waarbij het eigen vermogen boven de norm voor bijstandverlening om niet lag.
Het college bevestigde dit en weigerde verdere bijstand om niet, waarna appellanten bezwaar maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de vermogensvaststelling en voerden zij aan dat verliezen en schulden betrokken moesten worden bij het vermogen.
De Raad oordeelde dat het vermogen moet worden vastgesteld op de datum van het besluit op de aanvraag, en dat verliezen uit onderneming niet als schuld mogen worden betrokken bij de vermogensvaststelling. Het eigen vermogen blijft daarmee boven de toegestane norm, waardoor het beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het eigen vermogen boven de norm ligt, waardoor geen recht op bijstand om niet bestaat.