ECLI:NL:CRVB:2007:BA0168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omzetting bedrijfskrediet bijstand in bedrag om niet wegens te hoog eigen vermogen
Appellant had op 7 oktober 1999 een bedrijfskrediet in de vorm van een geldlening ontvangen op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Op 1 juni 2003 verzocht appellant om omzetting van deze lening in een bedrag om niet. Het College weigerde dit op grond van artikel 3, aanhef en onder b, van het Bbz, omdat het eigen vermogen van appellant meer dan 30% van het totale vermogen bedroeg.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep overwogen dat het vermogen moet worden vastgesteld op het moment van het primaire besluit, hier 7 oktober 1999. De woning van appellant, de contante waarde van een levensverzekering en het bedrijfsvermogen zijn terecht bij het totale vermogen betrokken. De stellingen van appellant over beslagen op de woning en de fiscale oudedagsreserve konden niet leiden tot een ander oordeel.
De Raad concludeert dat het eigen vermogen van appellant ruimschoots hoger was dan 30% van het totale vermogen, zodat het College terecht de omzetting van de lening in een bedrag om niet heeft geweigerd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Haarlem wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot omzetting van de lening in een bedrag om niet wordt bevestigd.