Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college beëindigde en trok bijstand terug over de periode januari 2014 tot maart 2015 wegens ontvangen levensmiddelen, mee-eten en tankgeld. Bij het eerste besluit op bezwaar werd de bijstand verlaagd, maar de terugvordering werd in een aanvullend besluit vastgesteld.
De rechtbank stelde de terugvordering lager vast dan het college had bepaald en oordeelde dat het college tijdig had beslist op bezwaar. Appellant stelde dat de afstemming onterecht was, dat de terugvordering onjuist was en dat het college een dwangsom verschuldigd was wegens te late beslissing.
De Raad oordeelde dat de verlaging van de bijstand onterecht was omdat de omstandigheden onvoldoende waren om een verlaging te rechtvaardigen, mede vanwege kostenverhogende factoren bij appellant. Hierdoor verviel ook de grondslag voor terugvordering. Daarnaast was sprake van gefaseerde besluitvorming, waardoor het college te laat had beslist op het bezwaar en de maximale dwangsom van €1.260,- verschuldigd was.
De Raad vernietigde de besluiten over afstemming, terugvordering en dwangsom, stelde de dwangsom vast en wees het verzoek om wettelijke rente af. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.