ECLI:NL:CRVB:2019:1247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AWBZ-indicatie persoonlijke verzorging en verpleging
Appellante, geboren in 1970, had een indicatie voor AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en verpleging vanwege chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en de ziekte van Sjögren. Na een aanvraag voor uitbreiding van zorg in 2012 heeft het CIZ besloten dat appellante in staat is haar persoonlijke verzorging zelf uit te voeren en niet langer aangewezen is op verpleging. Deze besluiten werden door de rechtbank bevestigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij lijdt aan Myalgische encefalomyelitis (ME) en dat de behandeling met cognitieve gedragstherapie (CGT) of graded exercise therapie (GET) averechts werkt. Zij stelde niet tot zelfzorg in staat te zijn en dat haar behandeling wel conform de huidige wetenschap is. De Raad liet twee deskundigen, een neuroloog en een internist, onderzoek verrichten.
De neuroloog concludeerde dat CVS en ME synoniemen zijn en dat er geen neurologische afwijkingen waren die rechtvaardigen dat appellante aangewezen is op persoonlijke verzorging of verpleging. De internist vond geen aanwijzingen voor een immuniteitsstoornis en concludeerde dat de medische onderbouwing voor verpleging ontbrak. De Raad volgde de deskundigen en achtte de bezwaren van appellante onvoldoende om hun conclusies te verwerpen.
De Raad bevestigde dat appellante in staat is tot zelfzorg en niet langer aangewezen is op verpleging. De hoger beroepen werden afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aangevallen uitspraken worden bevestigd en appellante wordt niet langer aangewezen op verpleging en kan persoonlijke verzorging zelf uitvoeren.