Appellant ontving bijstand en huurde een woning waarin op 15 juni 2016 een hennepkwekerij met 293 planten werd aangetroffen. Het college trok de bijstand in vanaf 6 januari 2016 en vorderde terugbetaling wegens exploitatie van de kwekerij en het niet melden van inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellant dat hij zelf de kwekerij exploiteerde en stelde dat slechts één oogst had plaatsgevonden vanaf maart 2016. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat derden de kwekerij exploiteerden en dat de enkele verklaring van getuigen en rapportage diefstal onvoldoende zijn om twee oogsten aan te nemen.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode 6 januari tot 3 maart 2016 wegens gebrek aan feitelijke grondslag, maar bevestigde het besluit voor de periode daarna. Het college moet een nieuwe berekening maken voor de terugvordering vanaf 3 maart 2016. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het college werd veroordeeld in de proceskosten.