ECLI:NL:CRVB:2019:1309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige beoordeling door UWV bevestigd
Appellante was werkzaam als medewerker huishoudelijke dienst en meldde zich meerdere malen ziek met diverse klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar Ziektewet-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat zij niet aan haar rug was onderzocht en haar aandoening BPPD onvoldoende was meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 april 2019.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd na een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling door het UWV.