ECLI:NL:CRVB:2019:1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijzondere bijstand voor alleenstaande ouder na duurzaam gescheiden leven
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar sinds 1 januari 2015 werd de norm gelijkgesteld aan die van alleenstaanden, waardoor zij de alleenstaande ouderkop (ALO-kop) miste. Zij leefde duurzaam gescheiden van haar echtgenoot, die als partner werd beschouwd volgens de Awir, waardoor zij niet voor de ALO-kop in aanmerking kwam. Het college verleende aanvankelijk bijzondere bijstand ter compensatie van het gemis, maar beëindigde deze vanaf 1 april 2017.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante gegrond en bepaalde dat zij recht had op bijzondere bijstand over geheel 2016. De Raad vernietigt deze uitspraak omdat het besluit van 15 maart 2017, dat de bijzondere bijstand verlengde tot 31 maart 2017, niet in de beoordeling was betrokken. De Raad beoordeelt het beroep inhoudelijk en concludeert dat appellante vanaf 1 april 2017 in een zeer bijzondere situatie verkeert door een inkomensterugval van 20%, waardoor het college verplicht is haar bijstand af te stemmen volgens artikel 18 PW Pro.
Het college heeft dit nagelaten, waardoor het bestreden besluit in strijd is met de wet. De Raad vernietigt het besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de omstandigheden van appellante. Tevens worden de kosten van appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het college Rotterdam om de bijzondere bijstand te beëindigen wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de bijzondere situatie van appellante.