Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, viel uit wegens vermoeidheidsklachten en vroeg meerdere keren een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar kende later een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 64-65%.
De rechtbank oordeelde in eerdere uitspraken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Ook de passendheid van de voor haar geselecteerde functies werd bevestigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter zijn, onder meer vanwege een andere diagnose (CVS in plaats van OSAS), cognitieve klachten en medicatiegebruik. Zij verzocht ook om benoeming van een deskundige.
De Raad concludeert dat het onderzoek zorgvuldig is verricht, dat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunten te onderbouwen en dat de medische informatie geen aanleiding geeft tot twijfel aan de beperkingen zoals vastgesteld. De functies blijven passend en appellante kan de vereiste opleidingen volgen. De Raad bevestigt de eerdere uitspraken en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.