ECLI:NL:CRVB:2019:1472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken woonplaats in Rotterdam
Appellant vroeg op 10 oktober 2016 bijstand aan bij de gemeente Rotterdam en gaf aan dakloos te zijn, met verblijf in een locatie in Rotterdam. Het college kende een voorschot toe maar wees de aanvraag later af en vorderde het voorschot terug omdat appellant niet in Rotterdam woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel aanspraak had op bijstand.
De Raad beoordeelde dat de bewijslast voor bijstandsbehoevendheid bij appellant lag en dat de inschrijving met briefadres niet leidend is voor woonplaats. Op basis van verklaringen van appellant en derden bleek dat appellant vooral in Den Haag verbleef, vier tot vijf dagen per week bij een vriend die niet hoofdbewoner was, en slechts incidenteel in Rotterdam was. De Raad verwierp het verweer dat appellant niet aan zijn verklaring gehouden mocht worden omdat hij deze niet had gelezen.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij woonplaats had in Rotterdam en dat hij geen aanspraak had op bijstand van het college. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant werd afgewezen omdat hij niet in Rotterdam woonde, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.