7.2.Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers de postverwerking op haar kantoor nader toegelicht. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat eisers voldoende feiten hebben gesteld op grond waarvan de ontvangst van de herstelverzuimbrief redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Daarbij wijst de rechtbank met name op de geschetste werkwijze dat een dergelijke herstelverzuimbrief zowel via het digitale informatiesysteem als via het fysieke postvak, en dus via twee verschillende routes, uiteindelijk bij de gemachtigde zelf terechtkomt. De kans dat het poststuk, met daarin de herstelverzuimbrief en een groot aantal andere dossierstukken, binnen het kantoor van de gemachtigde kwijt is geraakt, acht de rechtbank met deze werkwijze zeer klein. Het standpunt van verweerder, dat de door de gemachtigde geschetste interne postverwerking enkel ziet op het traject ná de ontvangst van poststukken, en dat daarmee geen feiten zijn gesteld op grond waarvan de ontvangst van de stukken redelijkerwijs kan worden betwijfeld, volgt de rechtbank niet. De gemachtigde heeft namelijk op de zitting stap voor stap de weg toegelicht die een poststuk binnen haar kantoor aflegt vanaf bezorging in de brievenbus tot aan het postvak en digitale informatiesysteem van de gemachtigde. Bovendien zou dit argument ook de andere kant op kunnen werken, aangezien ook de verzendadministratie van verweerder niet daadwerkelijk de fysieke overdracht van het poststuk aan de postbezorging onderbouwt. De gemachtigde van eisers stelt terecht dat niet valt in te zien waarom voor haar ontvangstadministratie een zoveel hogere bewijslast zou gelden dan voor verweerders verzendadministratie. Voor zover verweerder hiermee bedoelt te stellen dat de ontvangst van een poststuk enkel kan worden betwist door het stellen van feiten die zich afspelen vóórdat een poststuk door de postbezorging in de brievenbus wordt bezorgd, volgt de rechtbank dat ook niet. Dat zou de bewijslast aan de zijde van eisers immers nagenoeg onmogelijk maken, te meer omdat het de keuze van verweerder is geweest om de herstelverzuimbrief, met de daarbij gevoegde dossierstukken, per gewone post te versturen in plaats van per aangetekende post. (Waarbij de rechtbank het overigens niet na kan laten om op te merken dat zij het een merkwaardige werkwijze vindt om volledige dossiers, vol met persoonsgegevens, per gewone, niet-aangetekende post te versturen.) Ook de verwijzing naar de inmiddels meerdere malen aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2018, leidt niet tot een ander oordeel. De situatie die in die uitspraak voorlag verschilt namelijk op twee essentiële onderdelen van die van eisers. Ten eerste stond in die zaak vast dat de dossierstukken die ook daar samen met de herstelverzuimbrief waren verstuurd wèl door de gemachtigde van de vreemdeling waren ontvangen, wat de gemachtigde van eisers juist gemotiveerd betwist. Ten tweede had de gemachtigde van de vreemdeling in die zaak enkel aangevoerd dat hij samen met zijn secretaresse het ontvangen poststuk had nagekeken, terwijl de gemachtigde van eisers uitgebreid en gedetailleerd de postverwerking binnen haar kantoor heeft toegelicht.
Het betoog van eisers slaagt.
Wat betekent dit voor het beroep?
8. Het beroep is gegrond. Aan bespreking van het betoog van eisers over de menselijke maat en het evenredigheidsbeginsel komt de rechtbank niet meer toe. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vorm van finale geschilbeslechting, omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Verweerder moet, nadat hij eisers alsnog een redelijke termijn heeft gegund om het verzuim ten aanzien van de gronden van bezwaar te herstellen, opnieuw op het bezwaar beslissen.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.