ECLI:NL:CRVB:2019:1515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en terugvordering ZW-uitkering bij vrijwillig verzekerde
Appellant, een zelfstandige met een autoreinigingsbedrijf, vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat appellant per 8 mei 2013 en 6 mei 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Ook werd een ZW-uitkering vanaf 9 juni 2015 geweigerd omdat appellant geschikt werd geacht voor passende arbeid.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond en oordeelden dat het UWV de beperkingen zorgvuldig en juist had vastgesteld op basis van medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten. De terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op de ZW-uitkering werd eveneens bevestigd, waarbij het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen te licht zijn ingeschat en dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld. De Raad oordeelt dat de medische grondslag van het UWV deugdelijk is en dat de rechtbanken terecht zijn uitgegaan van een maatmanomvang van 40 uur per week. De neurologische en verzekeringsgeneeskundige expertises ondersteunen de eerdere conclusies niet voor de relevante data.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; UWV-besluiten worden bevestigd.