ECLI:NL:CRVB:2019:1557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op besluiten faillissementsuitkering wegens ontbreken nieuw feit
Appellanten, werkzaam als algemeen medewerkers bij een besloten vennootschap die failliet werd verklaard, verzochten het UWV om een faillissementsuitkering toe te kennen. Het UWV wees deze aanvragen af omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege overheersende familierelaties. Na afwijzing van bezwaar en beroep, en een eerdere uitspraak waarbij de (schoon)familieleden van appellanten wel aanspraak konden maken op een uitkering, verzochten appellanten het UWV terug te komen op de besluiten van 11 december 2013.
De rechtbank verklaarde dit verzoek ongegrond omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat jurisprudentie die na de besluiten is ontstaan geen nieuw feit vormt om rechtens onaantastbare besluiten te doorbreken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat het verschil in rechtspositie verklaard wordt door het feit dat de (schoon)familieleden wel hoger beroep instelden.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de bestreden besluiten niet evident onredelijk zijn, ondanks de financiële gevolgen voor appellanten en het ontbreken van precedentenwerking. De hoger beroepen worden daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellanten om terug te komen op de besluiten van 11 december 2013 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of evident onredelijke besluiten.