Appellant, laatst werkzaam als inpakker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant nog 86,46% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna het Uwv de ZW-uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat een WSW-indicatie niet uitsluit dat appellant eenvoudige arbeid kan verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren onderkend, onder meer vanwege blaaskanker, depressieve klachten en het ontbreken van actuele medische informatie. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsarts terecht op eigen oordeel mocht varen en dat er geen aanwijzingen waren voor relevante wijzigingen in de gezondheidssituatie. De medische gegevens ondersteunden het oordeel dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en de functies geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de beëindiging van de ZW-uitkering en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of toekenning van proceskosten.